Werkgever had valse identiteitsbewijzen moeten onderkennen
Schoonmaakbedrijf X ontving een naheffingsaanslag loonbelasting naar het anoniementarief van € 272.856 met een boete van (uiteindelijk) € 50.000. Bij een controle van de belastingdienst was namelijk gebleken dat X van een aantal werknemers had verzuimd de identiteit op de juiste wijze vast te stellen of geen deugdelijke kopie van het identificatiedocument had bewaard. Volgens de inspecteur had X gelet op de gebreken in de identiteitsbewijzen moeten weten dat die vals waren. X was het daar niet mee eens en ging in beroep. Rechtbank Haarlem besliste dat X redelijkerwijs had moeten onderkennen dat haar valse of vervalste identiteitsbewijzen waren overgelegd. De fouten en afwijkingen in de kopieën van de identiteitsbewijzen waren zo in het oog springend dat X de gebreken bij een controle ook zonder informatiemateriaal van de overheid redelijkerwijs had moeten onderkennen. De Rechtbank handhaafde de naheffingsaanslag. Wat de boete betreft, besliste de Rechtbank dat het aan grove schuld van X te wijten was geweest dat te weinig belasting was betaald. De handelswijze van X grensde in laakbaarheid aan opzet. De boete van € 50.000 was, mede gelet op het feit dat de inspecteur niet standaard 25% had toegepast, maar de boete vanwege het grote tijdsverloop had gematigd, passend en geboden. De Rechtbank verklaarde het beroep van X ongegrond.
Bron: Fiscaal up to date nummer 51 d.d. 18 december 2007
